Twee leerlingen zitten rug aan rug. 

De docent heeft een lijstje met woorden, spreuken en begrippen (allemaal teksten uit de stappen 1-4).
Leerling 1 krijgt een tekening of foto.
Leerling 1 beschrijft waar hij of zij naar kijkt, zonder het woord, de spreuk of het begrip te noemen.
Leerling 2 moet proberen het woord, de spreuk of het begrip die hoort bij de afbeelding te raden.
Als het goed is, laat de docent aan leerling 2 ter controle het goed geraden tekstkaartje zien.

De tekstkaartjes en de set met afbeeldingen krijgen jullie van de docent.

smartphone

Een voorbeeld:

Leerling 1 krijgt de afbeelding 
hiernaast te zien.

Hij mag het woord ‘smartphone’ niet 
gebruiken, maar het apparaat alleen omschrijven, 
bijvoorbeeld:

Een klein apparaat waarmee
je kunt bellen, internetten en 
dat met apps werkt.

Leerling 2 moet raden dat het
goede woord ‘smartphone’ is.

vorigestap