ja_mageia

Bron: ontwikkeling of uitbuiting?

Investeringen van buitenlandse bedrijven in arme landen: ontwikkeling of uitbuiting? Ineke Zeldenrust, coördinator Schone Kleren Kampagne:
Naaiatelier“Ik houd me bezig met westerse bedrijven die kleding en sportschoenen maken. Hun buitenlandse investeringen hebben meer te maken met exploitatie dan met duurzame ontwikkeling. De confectie-industrie is als water: het zoekt het laagste punt: de landen met de laagste lonen, het gunstigste belastingklimaat, de zwakste milieuwetgeving. Als het laagste punt elders komt te liggen, verkassen ze hun fabrieken of personeel met het grootste gemak. Ze plaatsen hun orders elders, want grote kledingmerken werken doorgaans met onderaannemers. In Madagaskar vonden we een paar jaar geleden duizenden Chinese arbeidsters die waren ingevlogen omdat de productieomstandigheden daar net iets gunstiger zijn dan in China. Als het tij keert, zijn de arbeidsters en de fabriek zo weer weg. Wat heeft dat met duurzame ontwikkeling te maken?

Het bedrijfsleven claimt dat investeringen in ontwikkelingslanden voor werkgelegenheid zorgen. Arme mensen verdienen, kunnen sparen en hun families onderhouden. Alles beter dan prostitutie of de bedelstaf. Zo’n betoog is natuurlijk onzin, want eigenlijk vallen de arbeiders van de regen in de drup. Ze doen zwaar, onderbetaald en slechts tijdelijk werk onder omstandigheden die in het Westen al minstens honderd jaar verboden zijn. De bedrijven doen alsof het een natuurwet is dat de arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden slecht zijn, maar het zijn diezelfde bedrijven die dat kunnen veranderen. Waarom worden er in het Westen zulke exorbitant hoge winsten gemaakt en blijven de lonen in de ontwikkelingslanden zo laag? De arbeiders hebben nu nauwelijks de mogelijkheid om te sparen of hun familie te onderhouden. Kinderen kunnen niet naar school omdat hun ouders te weinig verdienen. En scholing is natuurlijk essentieel voor duurzame ontwikkeling.
Veel schoen- en kledingfabrikanten proberen hun leven iets te beteren, dat geef ik toe, maar met het ophangen van een paar brandblussers en het verkorten van de arbeidsdag is het probleem niet opgelost. Wat moet volgen is veel ingrijpender. Maar multinationals willen zoveel mogelijk winst maken en zo min mogelijk te maken hebben met de landen waarin ze opereren.”

sweatshopMechteld Oomen, secretaris internationale economische zaken bij werkgeversorganisatie VNO-NCW:
“Buitenlandse investeringen in ontwikkelingslanden zorgen voor werkgelegenheid, overdracht van kennis en economische groei.
Investeringen hebben een sneeuwbaleffect en het is aan de lokale overheid deze om te zetten in duurzame ontwikkeling. Het bedrijfsleven is niet verantwoordelijk voor armoedebestrijding, daar zijn overheden voor. Investeringen van multinationals dragen slechts bij aan ontwikkeling. Ik verzet me tegen het beeld dat alle buitenlandse investeringen met slechte arbeidsomstandigheden gepaard gaan. Natuurlijk zijn er rotte appels, en daar moet tegen opgetreden worden. Het VNO-NCW is voorstander van gedragscodes voor verantwoord ondernemen. Multinationals nemen hun eigen normen en waarden mee, en daardoor bieden ze vaak betere arbeidsomstandigheden dan lokale bedrijven. Op de lange termijn zal dat de samenleving veranderen, want het verwachtingspatroon van de burgers wordt omhoog geschroefd. Uit onderzoek blijkt dat de meeste multinationals hogere lonen betalen dan lokale werkgevers. Bovendien is er een sneeuwbaleffect. In Indonesië leidt elke arbeidsplaats bij een multinational tot wel zes nieuwe arbeidsplaatsen bij toeleveranciers, in de transportsector, et cetera. Investeringen leiden ook tot kennisoverdracht. Het is simpelweg niet waar dat lokale arbeiders alleen maar de laagste banen hebben. In Ghana is de directeur van Unilever een Ghanees. Het is veel te duur om alle managers uit eigen land over te laten vliegen, laat staan opzichters van productieprocessen. Sommigen zeggen dat buitenlandse investeringen tot een ‘race to the bottom’ leiden: ontwikkelingslanden bieden tegen elkaar op met lage belastingen, minimale milieueisen en onderdrukking van vakbonden om buitenlandse fabrieken binnen te halen. Volgens mij is het precies andersom. Als bedrijven in ontwikkelingslanden investeren, zitten ze daar doorgaans voor langere tijd. Dus willen ze weten dat er goed bestuur is, de eigendomsrechten goed geregeld zijn, de infrastructuur op orde is en er politieke stabiliteit heerst. Allemaal zaken die we als duurzame ontwikkeling beschouwen en waarvan de burgers profiteren. Ik geloof in een ‘race to the top’.”

(bron: evertnieuwenhuis.nl)