In Nederland is de soortenrijkdom in 100 jaar tijd met de helft afgenomen. Allerlei planten- en diersoorten zijn uit ons land verdwenen door de uitbreiding van steden, de aanleg van wegen en door milieuvervuiling. We kunnen de natuur alleen maar sparen door er zuinig mee om te springen. Geen nieuwe wegen, geen nieuwe woonwijken plannen in groene gebieden zoals het Groene Hart in de Randstad en milieuvervuiling dient nog meer te worden tegengegaan. Dit zijn oplossingen die vooral op het terrein van de politiek liggen. Milieuvervuiling zou misschien ook met technologische vernieuwingen teruggebracht kunnen worden, maar beter is het vervuiling te voorkomen dan tegen te gaan.
In Nederland kennen we veel versnipperde stukjes natuur, kleine stukjes natuur die zijn 'overgebleven' na het aanleggen van woonwijken en wegen. Die stukjes zijn vaak zo klein dat ze niet erg levensvatbaar zijn. Dieren hebben elk hun eigen leefruimte nodig en kunnen in zo'n klein stukje natuur moeilijk een partner vinden. Door tussen al die stukjes natuur nieuwe natuur te scheppen, kunnen die stukken met elkaar verbonden worden. Die verbintenis van stukken natuur met elkaar noemen we met een moeilijk woord ecologische hoofdstructuur. Zie daarvoor de kaart hieronder:
Het ecoduct op de Veluwe verbindt twee stukken natuur die door een snelweg doorsneden worden. Het wild kan via het ecoduct van het ene naar het andere stuk natuur lopen; dat doet het meestal 's nachts.
Een andere manier om biodiversiteit te behouden is de aanleg van nationale parken. Een nationaal park is een beschermd natuurgebied. De mate van bescherming verschilt per land. Een nationaal park betreft een grote oppervlakte aaneengesloten natuurgebied. Het eerste nationale park ter wereld is Yellowstone Park, dat in 1872 is ontstaan. Het eerste Nederlandse nationale park is het Nationaal Park Veluwezoom uit 1930. Het grootste park in Nederland stamt uit 1934: Nationaal Park Hoge Veluwe.
In 1969 werden er binnen de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN afspraken gemaakt over de aard van een nationaal park. Die afspraken heeft de Nederlanfse regering in 1980 overgenomen:
Een nationaal park is een aaneengesloten natuurgebied van tenminste 1000 hectare, bestaande uit natuurterreinen, wateren en/of bossen, met een bijzonder landschappelijk, planten- en dierleven, waar tevens goede mogelijkheden zijn voor recreatie.
De nationale parken moeten samen een goed beeld vormen van de natuur van dat land; in Nederland zijn er inmiddels 20 nationale parken. Het kleinste park is 1.340 hectare groot (Nationaal Park de Groote Peel), het grootste is 37.000 hectare groot (Nationaal Park Oosterschelde) (klik hier voor een volledig overzicht).
Het grootste nationale park ter wereld is 4.480.700 hectare groot (44.807 km2): het Wood Buffalo National Park in Canada. Dit park is een derde groter dan Nederland (33.883 km2).
Ook in de Derde Wereld vind je diverse nationale parken. Zo is bijvoorbeeld Masai Mara als National Park aangewezen om de aanwezige diersoorten te beschermen. Zo wordt voorkomen dat nederzettingen in het gebied gevestigd worden. De belangrijkste reden om over te gaan tot het opzetten van beschermde natuurparken in Kenia was de sterke bevolkingsgroei. Door de uitbreiding van veeteelt en landbouw dreig(d)en grote natuurgebieden verloren te gaan. De bescherming van nationale parken in de Derde Wereld is soms moeilijk. Hongerige mensen die op zoek zijn naar brandhout zijn soms moeilijk tegen te houden. Pas als ook de lokale bevolking er voordeel van heeft (bijvoorbeeld door inkomsten uit toerisme), is natuurbescherming echt zinvol.
Nationaal Park Masai Mara in Kenia